Schoenmaekers hoopte in Rolduc een aanstelling te krijgen als hoogleraar in de filosofie, maar naar het heet door verzet van het lerarencorps vond deze benoeming geen doorgang. Zijn kleine gestalte en onaantrekkelijk voorkomen zouden hem ongeschikt maken om de roerige jongelieden in Rolduc in toom te houden. Na korte tijd assistent te zijn geweest van een oude pastoor in Munstergeleen kon Schoenmaekers in februari 1901 naar Amsterdam vertrekken, waar hij aan de gemeentelijke universiteit Nederlandse letteren ging studeren. Nauwelijks was Schoenmaekers in Amsterdam aangekomen of de bisschop riep hem weer terug in verband met een benoeming, in september 1901, als rector van een internaat voor Duitse meisjes van de zusters Franciscanessen in Bunde bij Maastricht. Ook op andere wijze maakte hij zich nuttig voor de katholieke kerk door in 1902 een apologetische brochure te schrijven onder de titel Waarom gelooft gij? Brieven aan menschen met gezond verstand .
In zijn Larense tijd schreef Schoenmaekers een reeks van boeken, die stuk voor stuk beschouwd kunnen worden als een herschrijving van het voorgaande. Steeds was hij daarbij op zoek naar wat hij noemde het mysterie van de werkelijkheid, dat zijns inziens ten diepste gezocht moest worden in de universele relatie van 'tegendelen': achter de veelheid der verschijnselen ging een structuur schuil die tijdloos was en bestond uit tegendelige relaties, zoals die tussen vrouwelijk en mannelijk of die tussen innerlijk en uiterlijk. Om door te kunnen dringen tot die grondstructuur moest de filosoof de methode van de 'positieve mystiek' hanteren, dat wil zeggen het begripsmatig verhelderen en aanschouwbaar maken van het mysterie zonder het mysterie zelf te laten verdwijnen. Het beste middel om die verhoudingen te kunnen uitdrukken, zo betoogde hij, was de beeldentaal van de wiskunde, bestaande uit cirkels, ellipsen en ovalen; vandaar dat in plaats van positieve mystiek ook de term 'beeldend denken' gebruikt werd. Met de officiële wiskundige wetenschap had deze 'beeldende wiskunde' niets te maken; die wetenschap was volgens Schoenmaekers een steriel bedrijf voor 'verstandsverstijfden'. In zijn Inleiding tot de gewijde wijsbegeerte uit 1933 vatte hij zijn filosofie voor het laatst samen.
Het was toen echter nog maar een kleine schare aanhangers voor wie Schoenmaekers zijn denkbeelden uiteenzette. Al rond 1920 was zijn invloed tanende. Ondanks zijn innemende persoonlijkheid en zijn vriendelijke vollemaansgezicht - 'een hoffelijke en geleerde dwerg' zou de dichter Jan Greshoff hem later noemen (Het Vaderland , 24-1-1957) - was hij iemand die niet graag tegenspraak duldde. In zijn Larense tijd vermeed Schoenmaekers de polemiek met andersdenkenden en beperkte hij zich tot het geduldig uiteenzetten van zijn voor de meeste mensen toch onbegrijpelijke ideeën. Verder beschikte hij over een meeslepend redenaarstalent en had hij een grote behoefte discipelen te maken. Maar juist hierdoor stootte Schoenmaekers allengs meer mensen af dan hij voor zijn ideeën won. Mondriaan, die altijd waardering voor zijn denkbeelden zou blijven koesteren, ergerde zich op den duur zozeer aan diens egocentrische optreden dat hij zich afwendde van deze 'schoolmeester-paus'. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat de voordrachten over 'wijsbegeerte als voorconceptie van de kunst', die Schoenmaekers tussen 1921 en 1927 als onbezoldigd docent gaf aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, hem maar weinig aanhang opleverde. In de jaren dertig raakte hij al enigszins in de vergetelheid; dat hij in 1936 een van de oprichters was van het filosofische tijdschrift Synthese. Maandblad voor het geestesleven van onzen tijd en daarin enkele jaren vele, vaak zeer korte artikelen publiceerde, deed daar niets aan af.
Mathieu Schoenmaekers, die zich na zijn breuk met de katholieke kerk in de eerste decennia van de eeuw leek te ontwikkelen als de leider van een nieuw geloof en daarmee de Nederlandse vertegenwoordiger van de bredere Europese stroming van het occultisme en esoterisme, was bij zijn dood in de laatste oorlogswinter zo goed als vergeten. Hij twijfelde echter nooit aan zichzelf en hield tot het einde vast aan zijn innerlijke zekerheden. Op zijn uitdrukkelijk verzoek werd daarom bij zijn sterfbed geen priester toegelaten.

![(-\infty,\infty)=]-\infty,\infty[=\lang \leftarrow,\rightarrow \rang=R](http://upload.wikimedia.org/wikipedia/nl/math/4/7/a/47ae44c4c7c1d3c932252acb8aff2e2e.png)
De moeder van Mathieu Schoenmaekers stierf in het kraambed, zodat hij al direct na zijn geboorte werd toevertrouwd aan de goede zorgen van zijn grootouders van vaderszijde. Deze mensen, stijf-burgerlijk en streng-katholiek, hielden hem van jongs af voor dat het priesterambt zijn levensbestemming zou zijn, en zijn gehele opleiding werd daarop afgestemd. Hij doorliep vanaf 1888 het gymnasium in Rolduc en deed daar ook de tweejarige vervolgopleiding in de filosofie. Op voorspraak van de bisschop van Roermond kon Schoenmaekers in 1896 geplaatst worden aan de door de jezuïeten geleide Universitas Gregoriana in Rome. Hij studeerde er theologie en filosofie en onderging er de invloed van de hoogleraar bijbelwetenschappen E. Gismondi. Hij promoveerde in de filosofie in 1899, het jaar waarin ook zijn priesterwijding plaatsvond. In 1900 volgde zijn promotie in de theologie, waarna hij naar Nederland terugkeerde.
, de rationale getallen, en
, de gehele getallen.
