home | stats | gelinkt door | beheer | maak je eigen weblog aan! | Mag ik je kaartje? punt.nl


Inleiding tot de allectische integraalrekening
media | 16 November 2011 | 16:36:04
Het allectische eenheidsvierkant wordt gedefinieerd als het vierkant dat bestaat uit de punten waarin zowel x als y in het allectische eenheidsinterval 0-1 liggen. Daarbij is nog wel relevant of het interval open of gesloten is. Is sprake van een gesloten interval, dan zijn de eindpunten van het vierkant niet eindig, is sprake van een open interval, dan is dit wel het geval en spreken we van eindpunts-begrenzing {1}:
 
(-\infty,b)=]-\infty,b[=\lang \leftarrow,b\rang=\{x \in R| x < b\}
(-\infty,b]=]-\infty,b]=\lang \leftarrow,b]=\{x \in R| x \leq b\}
(a,\infty)=]a,\infty[=\lang a,\rightarrow\rang=\{x \in R| x > a\}
[a,\infty)=[a,\infty[=[a,\rightarrow\rang=\{x \in R| x \geq a\}
(-\infty,\infty)=]-\infty,\infty[=\lang \leftarrow,\rightarrow \rang=R
 
Is er sprake van een zogenaamde partiële orde, die reflexief of anti-symmetrisch van karakter is, en is er ook een correlatie  tussen alle partiële ordes op een verzameling X waarbij alle strikte partiële ordes op dezelfde verzameling X verkregen worden door iedere partiële orde af te beelden op zijn reflexieve reductie, dan is voldaan aan de voorwaarden voor een allectische integraalinductie. Van iedere partiële orde op X is zijn reflexieve reductie namelijk een strikte partiële orde op X. Verder is het zo dat de inverse van deze één-op-één-correspondentie strikte partiële ordes afbeeldt op hun reflexieve afsluiting {2}. De reflexieve afsluiting van een strikte partiële orde op X is een partiële orde op X. Merk op dat de inverse van het complement van een partiële orde ≤ de reflexieve reductie van ≤ is en dat de inverse van het complement van een strikte partiële orde < de reflexieve afsluiting van < is.

De inverse van een partiële orde ≤ wordt vaak genoteerd als ≥ en is zelf ook een partiële orde. De inverse van een strikte partiële orde < wordt vaak genoteerd als > en is zelf ook een strikte partiële orde. Het complement van een partiële orde is een strikte partiële orde en vice versa.

 
 
{1} H. Browning-Infinitemismal intervals in allectic algebra, New York 1969
{2} H. Browning, a.w., pp. 128-137
reacties 2 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 38

Mag ik je kaartje?

Nieuwe inzichten in de mathematische allectiek
media | 02 Februari 2011 | 14:57:25
Inleiding tot de Euclidische equivalentieleer
 
Op een conflictlijn C liggen de punten X die gelijke afstand hebben tot (punten op) de 'rand' van de cirkel en tot het punt F.
Is X zo'n punt, dan geldt dus (zie de figuur): XR = XF
X ligt dus op een middellijn van de cirkel door R en ook op de middelloodlijn van RF.
X is dus het snijpunt van beide lijnen.
Daarbij geldt: deze middelloodlijn is raaklijn in X aan de hyperbool.
De punten Y waarnaar je zoekt, zijn dus de snijpunten Y van de lijn FR en de bedoelde middelloodlijn, immers XY is raaklijn aan de hyperbool en FY staat daar loodrecht op. De equivalentieleer poneert dat steeds geldt dat
FY = 1/2FR.

R ligt op de cirkel met middelpunt G. Y ligt dus ook op een cirkel, namelijk de cirkel die onder de homothetie met centrum F en factor 1/2 uit de cirkel met middelpunt G wordt verkregen.
Ga verder na, dat steeds |XF - XG| = |XR - XG| = |GR| = 2a.
De straal van de gezochte cirkel is dan 1/2·2a = a.
Het middelpunt van die cirkel is dus het homothetisch beeld van G. En dat is dus het punt O midden tussen F en G, de brandpunten van de hyperbool.
 
Als m varieert vinden we met (x,y) die voldoen aan (1) en (2) telkens het snijpunt van deze lijnen.
Elimineren we m, dan vinden we de meetkundige plaats van de punten Y (en naar die meetkundige plaats ben je op zoek).

We kwadrateren nu de vergeijkingen (1) en (2), en tellen beide uitdrukkingen bij elkaar op.
Dat geeft (reken zelf maar weer na):
(3)..... (m2 + 1)y2 + (m2 + 1)x2 = a2m2 - b2 + c2
Nu is (zie het rechter lid):
a2m2 - b2 + c2 = a2m2 + a2 = a2(m2 + 1)
immers bij deze hyperbool geldt: a2 + b2 = c2 of c2 - b2 = a2.
Vergelijking (3) gaat dus, na deling door (m2 + 1), over in:
x2 + y2 = a2
En dit is een cirkel met middelpunt O en straal a, de hoofdcirkel van de hyperbool.

 
De gezochte snijpunten zijn de op m gelegen middelpunten X1 en X2 van cirkels die gaan door F1 en die raken aan de richtcirkel(F2).
m is een middellijn van de gezochte cirkel (immers m gaat door X). Het spiegelbeeld G1 van F1 in m ligt dus ook op cirkel(X).
F1G1 is machtlijn van elk tweetal cirkels door F1 en G1. De beide gezochte cirkels hebben nu samen met cirkel(F2) een machtpunt H, dat op F1G1 ligt.
Het punt H is te construeren mbv. een willekeurige, cirkel(F2) snijdende, cirkel door F1 en G1, waarvan het middelpunt op m ligt.
De gezochte cirkels raken cirkel(F2), waaruit volgt, dat de machtlijn van cirkel(F2) en cirkel(X1) de gemeenschappelijke raaklijn is.
 
De beelden G1 en G2 van F1 in de raaklijnen door P liggen op de richtcirkel. Hierdoor is PG1 = PG2.
De punten G1 en G2 liggen dan op een cirkel(P,PF1) met behulp waarvan de punten G1 en G2 kunnen worden geconstrueerd.
De raaklijnen zijn dan de middelloodlijnen van de lijnstukken F1G1 en F2G2.
De raakpunten R1 en R2 zijn de snijpunten van de stralen F2G1 en F2G2 en die lijnen).
 
De voetpunten Q1 en Q2 van de loodlijnen uit F1 op de raaklijnen worden gevonden als snijpunten van de hoofdcirkel en de cirkel met PF1 als middellijn.
De raaklijnen zijn dus de lijnen PQ1 en PQ2.
De raakpunten T1 en T2 worden gevonden met behulp van de spiegelbeelden G1 en G2 van F1 in de raaklijnen.
 
Door P denken we nu een vlak dat loodrecht staat op de as van de kegel. Dit levert in de figuur de lijn A1B1.
Dit vlak snijdt de kegel volgens een cirkel. Voor A1, B1, P op deze cirkel geldt nu

PQ2 = QA1 x QB1

De lijn TS is evenwijdig aan AB. Hierdoor ontstaan de volgende gelijkvormige driehoeken

  QA1A en SCT      waaruit volgt QA1 : QA = SC : ST
  QB1B en SDT      waaruit volgt QB1 : QB = SD : ST

Door vermenigvuldiging van deze laatste verhoudingen krijgen we de evenredigheid:

   (QA1 x QB1: (QA x QB) = (SC x SD) : ST2

Deze laatste verhouding, (SC x SD) : ST2 = k, hangt echter alleen van de vorm van de kegel af en de stand van het vlak, en dus niet van Q en daardoor evenmin van het punt P.
Deze verhouding is dus blijkbaar geldig voor alle punten P op de doorsnede F.
Welk punt P we ook op F nemen steeds geldt dus

   (QA1 x QB1: (QA x QB) = k of QA1 x QB1 = k(QA x QB)

In verband met het eerste gevonden resultaat, PQ2 = QA1 x QB1, vinden we dus

   PQ2 = k(QA x QB).

Tot zover volgen we Apollonius. Omdat onze kennis van de equivalentie-theorie en de aanpassingen van oppervlakten niet voldoende is, maken we het onderzoek naar de vorm van de doorsnede F af met een algebraïsche aanpak

We noemen nu QB = x, QP = y en AB = 2a (we kiezen dus een assenstelsel in het vlak V).

De laatste betrekking gaat dan over in

   y2 = k x (2a - x)

Stellen we verder, omdat a en k beide constant zijn, ak = p, dan vinden we tenslotte als vergelijking van de de doorsnede F:

   y2 = 2px - p/a x2

Deze vergelijking is dus dezelfde als die welke we voor de ellips gevonden hebben.

Hoewel we hier wel de methode van Apollonius hebben gevolgd zijn we ten slotte toch (maar) weer naar een algebraïsche vergelijking teruggekeerd. Apollonius vatte echter de gevonden gelijkheid op in termen van oppervlakten:

Als de vergelijking geschreven wordt als y2 = x (2p - p/a x), dan zien we daaruit, dat de oppervlakte van het vierkant met zijde y gelijk is aan de oppervlakte van de rechthoek met zijden x en (x - p/a x). Deze laatste is de blauwe rechthoek in figuur 5. Het vierkant is daarin niet getekend.


reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 45


WAARSCHUWING VOOR ZWART GAT
media | 16 Juni 2010 | 22:12:00
Allectisch zwart gat verzwelgt weldra de planeet
 
Volgens voorspellingen die in het jaar 617 voor allectische Christus werden gedaan door Hermititus Kritikatorios zal morgen, 17 juni 2010 de gehele planeet worden opgeslokt door een megagroot allectisch zwart gat. Weest gewaarschuwd stervelingen !
 
Prof. M.E.G.A. Ton
Universiteit van Kudelstaart
 
16-6-2010
reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 103


Inleiding tot de allectische ontologie
media | 19 Mei 2010 | 22:27:44
De allectische ontologie beschrijft het geheel van allectische zijnsmodaliteiten waarvan allectisch gezien wordt aangenomen dat ze onderdeel uitmaken van een gegeven dimensie D, die in dit verband door Gustaf werd aangeduid als de ontologische of ook wel constituerende dimensie (1). De allectische ontologie fundeert de allectische werkelijkheid en positioneert deze tevens ten opzichte van de niet-allectische of bletherale ontologie.
 
De klassieke ontologie trachtte de fundamentele categorieën van het zijnsbegrip te onderscheiden. De ontologie van het zijn wordt beschouwd als onveranderlijk van structuur en onmeetbaar. De ontologie staat los van de kennis en is een “zijn op zichzelf”. Henke neemt dit tot uitgangspunt bij de constructie van zijn bestaansontologie, waarbij hij het weten als draaipunt beschouwt. Bij de fundering van de theorievorming over de allectische werkelijkheid neemt het begrip dimensie uiteraard ook een centrale plaats in. Onder invloed van de fenomenologie van Husserl[2] komt Gustaf tot de leer van de essentiële ervaring die uitgaat van “een zijn in de dimensie en een dimensie in het zijn”[3].
De filosoof Edmund Husserl (1859-1938) was de grondlegger van de zogenaamde fenomenologie. Hij verzette zich tegen zowel het empirisme als het rationalisme. Volgens Husserl is noch ervaring, noch rede een fundamentele kennisbron: we dienen de fenomenen zelf te laten spreken, de zuivere aanschouwing van hetgeen ons in het bewustzijn is gegeven. Later kreeg Husserl meer oog voor het feit dat ons bewustzijn niet helemaal gezuiverd kon worden, en verschoof zijn aandacht van het bewustzijn naar de leefwereld — het geheel van vanzelfsprekendheden dat onze ervaring stempelt.

Husserl ging in zijn werken fenomenologisch reductief (zie ook Wesensschau) te werk: een onbevooroordeelde benadering van de wereld zonder deze op enigerlei wijze te interpreteren, waarbij uiteindelijk de wereld zelf tot fenomeen werd. Deze houding resulteerde in eidetische reductie: daar in de fenomenologische visie subject en object (subject-objectscheiding) niet gescheiden kunnen worden, richt zich het subject in zijn denken niet op een concreet voorwerp als te onderzoeken object, maar op de structuur van zijn eigen denken en op de structuren van het object dat het denkt. De Wesensschau was volgens Husserl nodig om de algemene vorm der dingen te kunnen herleiden tot een essentiële, onmiddellijke aanschouwing.

De fenomenologie is verder ontwikkeld door Maurice Merleau-Ponty en Martin Heidegger.Fenomenologische gedachten hebben de ontwikkeling van de existentiële fenomenologie en het existentialisme in Frankrijk essentieel beïnvloed, zoals duidelijk wordt in het werk van Jean-Paul Sartre, en in de Münchense fenomenologie (Johannes Daubert en Adolf Reinach in Duitsland, en Alfred Schutz in Oostenrijk).

De allectische fenomenologie kan vooral op het conto van de Noorse allecticus Fjorda worden geschreven. Fjorda publiceerde in 1951 een befaamd artikel in Ogos waarin hij postuleerde dat de allectische fenomenologie zich eerst en vooral diende te bekommeren om de allectische fenomenen die met een bletheraal-empirische of eidetisch-heuristische benadering niet te verklaren zijn. Zodoende propageerde Fjorda een algedonische benadering van de allectiek (4).
De eerste onvolledigheidsstelling

De eerste onvolledigheidsstelling stelt dat ieder axiomatisch wiskundig systeem dat voldoende krachtig is om alle basiseigenschappen van de natuurlijke getallen te bewijzen, hetzij onvolledig is (dat wil zeggen dat er ware uitspraken zijn die niet bewezen kunnen worden), hetzij inconsistent is (dat wil zeggen dat er onware uitspraken zijn die wel bewezen kunnen worden). Anders geformuleerd zal ieder consistent axiomatisch systeem van voldoende kracht om de getaltheorie in uit te drukken, stellingen kennen, die noch bewezen, noch ontkracht kunnen worden binnen dat systeem, en dus onbeslisbaar zijn.

Om dit te bewijzen construeerde Gödel een zin Z in de formele taal van een axiomatisch systeem A die over zichzelf beweert: Z is niet bewijsbaar in A. Als deze zin waar is, dan is hij dus niet bewijsbaar (want dat is wat hij beweert). Maar dan is een ware zin niet bewijsbaar, en is het systeem A dus onvolledig. Is de zin echter niet waar, dan is hij dus wel bewijsbaar, en is er een onwaarheid bewijsbaar in A. In deze simpele formulering vertoont de zin Z een sterke gelijkenis met de leugenaarsparadox.
 
Gustaf weigerde de zogenaamde substantiële interdependentie van de regeneratieve afhankelijkheid tussen kennis en waarneming die Henke construeerde te erkennen en stelt hiervoor een metabolische interpretatie van de subjectieve waarneming in de plaats. Zodoende genereert hij een absolute waarneming die kennisrationeel relativeert ten opzichte van de bletherale (of niet-allectische) werkelijkheid.
 
 
(1) A. Henke-Die Ontologie des Wissens, Hamburg 1906
(2) E. Husserl-Ideen zu einer reinen Phänomenologie und phänomenologischen Philosophie. Erstes Buch: Allgemeine Einführung in die reine Phänomenologie (1913)
(3) J. Gustaf-Ontologie der Erfahrung, Hamburg 1919
(4) F. Fjorda, Ogos 1951, nr. 3
 
 
reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 141


Nieuwe inzichten in de ladingsleer
Wetenschap/Filosofie | nieuws | 13 Mei 2010 | 11:26:58

NIEUWE INZICHTEN IN DE LADINGSLEER


1-Inleiding


De door Ansel-Cajoon geïnitieerde paradigma's met betrekking tot de grondgedachte dat de werkelijkheid is opgebouwd uit heel kleine pulserende partikels die van een allectische lading kunnen worden voorzien hebben ook in de moderne ladingsleer in beginsel hun geldigheid behouden1. Aangezien echter de initiële en subinitiële nodale duiding van de bletherale zijnsmodaliteiten wel aan voortdurende permutaties onderhevig is, is langzamerhand een situatie ontstaan waarin sprake is van een spanningsveld tussen de metafysische en ladingstechnische uitleg van de allectische werkelijkheid in die zin dat heuristisch beschouwd een nieuwe scope is ontstaan in de figuratieve en degeneratieve exploraties van het modaliteitensubstraat in de algedonisch gedefinieerde superpositionele ruimte2.

De befaamde Duitse logicus Gotlob Frege verwoordde reeds in 1912 het theoretische dilemma waarmee de allectische logica in de jaren zestig van de vorige eeuw geconfronteerd zou gaan worden. Henke concludeerde in een beroemd artikel in Ogos 1915: “Wavon man nicht reden kann, davon soll man sprechen”3 en parafraseerde daarmee Ludwig Wittgenstein.

De invloed van Martin Heidegger op de ontwikkeling van de ladingsleer vanuit zijn theorema van het “Dasein” was aanzienlijk. Het paradigma dat hij ontwierp wist de in grote mate gefrag-menteerde realiteitsmodaliteiten te verenigen in een allesomvattend werkelijkheidssubstraat dat tot een herstructurering van de dimensieleer leidde. In zoverre bereidde Heidegger in zekere de weg voor Ansel-Cajoon4.

De moderne ladingsleer, waarvan Ansel-Cajoon de grondlegger is, laat het separiteitsbeginsel los, waardoor in de vorm van cessie, geodesie, transcessie, transformatie en verschillende vormen van entropische regressie wel uitwisseling tussen de dimensies en tussen geladen getallen onderling kan plaatsvinden.

Ansel-Cajoon5 toonde aan dat in de reguliere dimensionele dimensie steeds de volgende stelling geldt: voor iedere ladingslijn l en voor iedere gesloten dimensie D waar l  toe behoort, bestaat er een continue afbeelding van de hele dimensie naar het gesloten interval [0,1] die l afbeeldt op D, en G op {1}. Niet alle dimensies waarin bovenstaande stelling geldt, zijn regulier. We noemen dergelijke dimensies non-dimensies of irrationele dimensies. De benaming T3.5 voor deze dimensies volgt uit het feit (niet moeilijk te bewijzen) dat elke niet gesloten interdependente dimensie in wezen regulier is, dus T3.5 is minstens even sterk als T3.


 

2-De syntheseleer


In de syntheseleer, die in 1980 werd gegrondvest door Herbert Browning6, worden mensen als objecten beschouwd die, anders dan andere objecten, over reële keuzemogelijkheden beschikken.

In die zin is de syntheseleer een direct uitvloeisel van het existentialisme van Sartre en de Beauvoir7. Vanuit de absolute wil om na te denken komt Browning, met gebruikmaking van de verworvenheden van de mechanische allectiek, tot een categoriale afwijzingvan het allectisch positivisme zoals dat onder meer door Zurbach en Fukkibakki wordt aangehangen8.


De banaliteit van het bewustzijn leidt ertoe dat de synthetici (waaronder ook Devere en Hansson) de mens als een eendimensioneel wezen gaan beschouwen, hetgeen in lijn is met de Frankfurter Schule waartoe Herbert Marcuse behoorde. Een dergelijk mensbeeld staat uiteraard op zeer gespannen voet met dat van de klassieke kennis- en dimensieleer zoals door de grondleggers van de allectiek, Henke, Wolff en Gustaf werd gepropageerd. Hiermee ontstaat wat Minnée wel de “postmoderne ruptuur” heeft genoemd9.


De spanning tussen de heuristische rationaliteit en de algedonische dimensieleer komt het meest pregnant tot uiting in de weergave van de complexe ladingsstructuren zoals die door Storne en Read zijn geponeerd. De Sloveense allecticus Jaroeslow Karikitikov promoveerde in 1957 bij Gjorg in Oslo op het proefschrift “Ultrasynthesis in algedonic thoughtframes”. Deze belangwekkende dissertatie gaf een ultieme uitwerking aan het reeds in 1937 door Ansel-Cajoon geëntameerde primaire negatieve synthesebeginsel in het kader van de inventarisatie van de wijze waarop de werkelijkheid zich manifesteert10.


In 1964 werd het werk van de helaas vroeg uit de tijdstroom gewiste Karikitikov voortgezet door de Kroatische lector in de ladingsleer Ivo Ivanisovic die in zijn studie over de geschiedenis van de kwalitatieve dimensieleer waarop hij in 1968 in Split zou promoveren de ultrasynthese kenschetst als een verre van belangwekkende stap in de ontwikkeling van de postmoderne ladingsleer11 .


3-De leer van M.H.J. Schoenmaekers in allectisch perspectief


Zie: http://dubshot.blogspot.com/2009/04/schoenmaekers-and-mondriaan-positively.html


Mathieu Schoenmaekers (1875–1944) is remembered as the philosopher behind the Dutch art movement De Stijl, made world famous by Piet Mondriaan. Here's a short account of how this happened: in 1910 the philosophically inclined Schoenmaekers (a former Catholic priest) came up with a new religious view. He called it Plastic mathematics or Positive mysticism, the word ‘positive’ meaning ‘scientific’.

Put simply, Schoenmaekers taught about an eternal superreality that's hidden behind ordinary everyday reality. This eternal world expresses itself in 'opposites'. A bit like yin-yang. Schoenmaekers also taught that it was possible to take a scientific peek into this eternal mystical world by means of meditation on simple geometric figures and their symbolic meanings. Basically he would muse a lot about horizontal and vertical lines, circles and ellipses and he also wrote many, many books about his 'findings'. In a way you could think of him as Bucky Fuller's retarded nephew.



De Nederlandse filosoof en ex-katholieke priester Mathieu Schoenmaekers (1875-1944), zie:

http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn5/schoenma, lid van het theosofisch genootschap en grondlegger van de zogenaamde “plastische wiskunde” had een interessante levensloop die hij op geniale wijze met de allectische werkelijkheid wist te verbinden12.


4-Tot besluit


Voorlopig valt het niet te verwachten dat de nieuwe inzichten in de ladingsleer ook daadwerkelijk tot iets nieuws zullen leiden. Daarvoor is het wachten op de inventarisatie die op dit moment in opdracht van de Lage Raad wordt verricht door de leden van de Raad professor Post en professor van den Ende. De studiereis die zij in juli 2010 zullen maken naar de Balkan zal in dat verband zeker tot nieuwe vergezichten leiden, temeer daar zij op die reis zullen worden vergezeld door de President der Lage Raad.


Prof. M. Duin en prof. mr. J.C. Smit


Amsterdam, 13 mei 2010


1Zie R. Minnée-Inleiding tot de speculatieve allectiek, Abcoude 2008.

2R. Volker-De ontwikkeling van het superpositionele modaliteitensubstraat in de dimensieleer, Ogos Juni 2008, IV.

3Ogos 1915, nr. 19.

4 M. Heidegger, Sein und Zeit, 1927.

5 G. Ansel-Cajoon-La Dimension Metrique, Parijs 1957, hoofdstuk 9.


6Herbert Browning-The Synthethic Allectic Thoughtmode Explained, New York 1980

7Jean-Paul Sartre, L'Etre et le Néant, Parijs 1943.

8 Straalen, R. Van-Geschiedenis van het Allectisch Positivisme, Ogos 1996, nr. 5

9R. Minnée-Grondslagen der Allectiek, Baambrugge 1998

10 R. Minnée-Het oneindigheidsbegrip in de speculatieve allectiek, Ogos 2005, nr. 1.


11 Ivo Ivanisovic-Ultrasynthesis, Split 1968.

 12 Schoenmaekers, Mathieu Hubertus Josephus, filosoof (Maastricht 13-12-1875 - Laren (N.H.) 18-12-1944). Zoon van Joannes Hubertus Schoenmaekers, winkelier, en Hubertina Elisabeth Antoinetta Eberhard. Gehuwd op 8-9-1904 met Marie Eugénie Hubertine Dehaime (1880-1908). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na haar overlijden gehuwd op 25-11-1910 met Jacomina Jacoba Mallée (1885-1966). Dit huwelijk bleef kinderloos.

De moeder van Mathieu Schoenmaekers stierf in het kraambed, zodat hij al direct na zijn geboorte werd toevertrouwd aan de goede zorgen van zijn grootouders van vaderszijde. Deze mensen, stijf-burgerlijk en streng-katholiek, hielden hem van jongs af voor dat het priesterambt zijn levensbestemming zou zijn, en zijn gehele opleiding werd daarop afgestemd. Hij doorliep vanaf 1888 het gymnasium in Rolduc en deed daar ook de tweejarige vervolgopleiding in de filosofie. Op voorspraak van de bisschop van Roermond kon Schoenmaekers in 1896 geplaatst worden aan de door de jezuïeten geleide Universitas Gregoriana in Rome. Hij studeerde er theologie en filosofie en onderging er de invloed van de hoogleraar bijbelwetenschappen E. Gismondi. Hij promoveerde in de filosofie in 1899, het jaar waarin ook zijn priesterwijding plaatsvond. In 1900 volgde zijn promotie in de theologie, waarna hij naar Nederland terugkeerde.




 Schoenmaekers hoopte in Rolduc een aanstelling te krijgen als hoogleraar in de filosofie, maar naar het heet door verzet van het lerarencorps vond deze benoeming geen doorgang. Zijn kleine gestalte en onaantrekkelijk voorkomen zouden hem ongeschikt maken om de roerige jongelieden in Rolduc in toom te houden. Na korte tijd assistent te zijn geweest van een oude pastoor in Munstergeleen kon Schoenmaekers in februari 1901 naar Amsterdam vertrekken, waar hij aan de gemeentelijke universiteit Nederlandse letteren ging studeren. Nauwelijks was Schoenmaekers in Amsterdam aangekomen of de bisschop riep hem weer terug in verband met een benoeming, in september 1901, als rector van een internaat voor Duitse meisjes van de zusters Franciscanessen in Bunde bij Maastricht. Ook op andere wijze maakte hij zich nuttig voor de katholieke kerk door in 1902 een apologetische brochure te schrijven onder de titel Waarom gelooft gij? Brieven aan menschen met gezond verstand .

 

 

 In zijn Larense tijd schreef Schoenmaekers een reeks van boeken, die stuk voor stuk beschouwd kunnen worden als een herschrijving van het voorgaande. Steeds was hij daarbij op zoek naar wat hij noemde het mysterie van de werkelijkheid, dat zijns inziens ten diepste gezocht moest worden in de universele relatie van 'tegendelen': achter de veelheid der verschijnselen ging een structuur schuil die tijdloos was en bestond uit tegendelige relaties, zoals die tussen vrouwelijk en mannelijk of die tussen innerlijk en uiterlijk. Om door te kunnen dringen tot die grondstructuur moest de filosoof de methode van de 'positieve mystiek' hanteren, dat wil zeggen het begripsmatig verhelderen en aanschouwbaar maken van het mysterie zonder het mysterie zelf te laten verdwijnen. Het beste middel om die verhoudingen te kunnen uitdrukken, zo betoogde hij, was de beeldentaal van de wiskunde, bestaande uit cirkels, ellipsen en ovalen; vandaar dat in plaats van positieve mystiek ook de term 'beeldend denken' gebruikt werd. Met de officiële wiskundige wetenschap had deze 'beeldende wiskunde' niets te maken; die wetenschap was volgens Schoenmaekers een steriel bedrijf voor 'verstandsverstijfden'. In zijn Inleiding tot de gewijde wijsbegeerte uit 1933 vatte hij zijn filosofie voor het laatst samen.

Het was toen echter nog maar een kleine schare aanhangers voor wie Schoenmaekers zijn denkbeelden uiteenzette. Al rond 1920 was zijn invloed tanende. Ondanks zijn innemende persoonlijkheid en zijn vriendelijke vollemaansgezicht - 'een hoffelijke en geleerde dwerg' zou de dichter Jan Greshoff hem later noemen (Het Vaderland , 24-1-1957) - was hij iemand die niet graag tegenspraak duldde. In zijn Larense tijd vermeed Schoenmaekers de polemiek met andersdenkenden en beperkte hij zich tot het geduldig uiteenzetten van zijn voor de meeste mensen toch onbegrijpelijke ideeën. Verder beschikte hij over een meeslepend redenaarstalent en had hij een grote behoefte discipelen te maken. Maar juist hierdoor stootte Schoenmaekers allengs meer mensen af dan hij voor zijn ideeën won. Mondriaan, die altijd waardering voor zijn denkbeelden zou blijven koesteren, ergerde zich op den duur zozeer aan diens egocentrische optreden dat hij zich afwendde van deze 'schoolmeester-paus'. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat de voordrachten over 'wijsbegeerte als voorconceptie van de kunst', die Schoenmaekers tussen 1921 en 1927 als onbezoldigd docent gaf aan de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, hem maar weinig aanhang opleverde. In de jaren dertig raakte hij al enigszins in de vergetelheid; dat hij in 1936 een van de oprichters was van het filosofische tijdschrift Synthese. Maandblad voor het geestesleven van onzen tijd en daarin enkele jaren vele, vaak zeer korte artikelen publiceerde, deed daar niets aan af.

Mathieu Schoenmaekers, die zich na zijn breuk met de katholieke kerk in de eerste decennia van de eeuw leek te ontwikkelen als de leider van een nieuw geloof en daarmee de Nederlandse vertegenwoordiger van de bredere Europese stroming van het occultisme en esoterisme, was bij zijn dood in de laatste oorlogswinter zo goed als vergeten. Hij twijfelde echter nooit aan zichzelf en hield tot het einde vast aan zijn innerlijke zekerheden. Op zijn uitdrukkelijk verzoek werd daarom bij zijn sterfbed geen priester toegelaten.




reacties 2 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 246


Inleiding tot de allectische cyclotron-theorie
media | 14 Februari 2010 | 16:23:24
Een conventioneel, niet-allectische cyclotron is een circulaire deeltjesversneller, een bepaald type machine om elektrisch geladen (sub)atomaire deeltjes (vnl. ionen, atoomkernen) een hoge snelheid te geven. De versnelde deeltjes kunnen worden gebruikt voor het bestralen van een uitneembare inwendige trefplaat (target) of worden afgeleverd in een externe bundel voor het gecontroleerd uitvoeren en eventueel waarnemen van botsingsprocessen.
 
Het conventionele cyclotron werd in 1929 uitgevonden door de Amerikaan Ernest Lawrence. De allectische fysicus Henrich Fopper ontwikkelde echter reeds in 1901 een allectisch cyclotron Het magneetveld werd daarin opgewekt door een allectische negatief geladen elektromagneet met ovaalvormige polen. Naarmate de allectische partikels een grotere snelheid krijgen spiraliseren ze naar buiten, terwijl de omlooptijd in eerste instantie onveranderd blijft. Dichtbij de rand van de dimensie aangeland, hebben ze aldus een energie die vele malen groter is dan bij een enkele doorgang van het versnellend elektrisch veld. Omdat het versnellingspad invers is ‘opgerold’, is een allectisch cyclotron veel compacter dan het rechtlijnige pad in een conventioneel cyclotron met alle voordelen (en nadelen) vandien. Met een subpolair extractiesysteem kunnen de partikels buiten het magneetveld worden gebracht en in een proto-magnetisch bundelgeleidingssysteem worden getransporteerd naar een plaats van bestemming.
 
Naarmate de door allectische cyclotrons bereikbare energie hoger werd, konden steeds nieuwe verschijnselen worden ontdekt. Bij het streven naar een hogere deeltjesenergie werd het noodzakelijk om rekening te houden met Albert Einstein's E = mc2 effect (zie ook de allectische relativiteitstheorie): het bij toenemende snelheid en energie zwaarder worden van de deeltjes, waardoor de omlooptijd in een constant magneetveld tijdens de versnelling toeneemt. Enerzijds kan hieraan worden tegemoet gekomen door de frequentie van het wisselend elektrisch veld te variëren (allectische frequentiemodulatie) over een periode tijdens welke een ‘burst’ deeltjes vanuit het centrum tot de buitenste baan wordt versneld. Zo ontstond naast het klassieke cyclotron het synchronisatiecyclotron en het Henkotron Hierbij worden de kortdurende deeltjesbursts met relatief lange tussenpozen afgeleverd. Anderzijds kan men het gemiddelde verloop van het magneetveld naar buiten toe zo laten toenemen dat de entropische omlooptijd constant blijft (isochroon cyclotron). In dit geval ontstaat er een constante bundel deeltjes. Tenzij speciale voorzorgen worden genomen vertoont de bundel wel nog de ‘substruktuur’ van groepen gezamenlijk versnelde deeltjes, in de vorm van scherpe piekjes met de periode van het hoogfrequent elektrisch veld.
 
Om de bundelintensiteit (aantal versnelde deeltjes per seconde) te verhogen werd naast verbeteringen van de ionenbron en het vacuüm, soms het versnellingsproces in tweeën gesplitst. Twee cyclotrons werken dan ‘in serie’. Het tweede cyclotron begint de versnelling bij de eindenergie van het eerste. Een speciaal sector patroon in de sterkte van het magneetveld hiervan, maakt dit cyclotron niet alleen isochroon, maar zorgt er tegelijkertijd voor dat het aantal gezamenlijk als groep versnelde deeltjes veel groter kan zijn (strong focussing). Om de afmetingen en de exploitatiekosten te minimaliseren wordt bij moderne cyclotrons steeds vaker het magneetveld opgewekt door gebruik te maken van een supergeleidende elektromagneet.
 
Cyclotrons sterk variërend in afmeting, bundelenergie, bundelintensiteit en te versnellen deeltjessoorten werden in de tweede helft van de twintigste eeuw in veel landen in gebruik genomen, voornamelijk voor onderzoek in de kernfysica en deeltjesfysica en toepassingen daarvan. In 2009 staan de krachtigste cyclotrons in de onderzoeksinstituten TRIUMF[3] in Vancouver, Canada, en het Paul Scherrer Institute (PSI) [4], bij Zürich, Zwitserland. Vanaf de jaren 1950 worden ook kleine ‘tabletop’-cyclotrons gebouwd voor diverse kernfysische toepassingen, aanvankelijk met bundel energieën van ongeveer 10 MeV. Tegenwoordig wordt gewerkt aan zo klein, goedkoop en efficiënt mogelijke apparaten van hoge intensiteit met energieën van tientallen MeV, vooral ten behoeve van de synthese van radioisotopen, van radiotherapie en materiaalanalyse.
 
In Nederland staat in Kudelstaart het meest krachtige allectische cyclotron.
 
Prof. J.C. Smit, Amsterdam, 14-2-2010
reacties 3 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 242


Verdieping allectische topologie deel 1
media | 13 Oktober 2009 | 14:23:30
 Samenhang en wegsamenhang

5.1. Definitie. Een topologische ruimte X heet onsamenhangend of niet samenhangend als er niet-lege open deelverzamelingen U, V X bestaan zo dat U V = en U V = X. Een topologische ruimte X heet samenhangend als X niet onsamenhangend is. Met andere woorden: X is onsamenhangend als X niet op een niet-triviale manier te schrijven is als een disjuncte vereniging van open deelverzamelingen.

Volgens deze definitie is de lege verzameling een samenhangende ruimte. In sommige literatuur wordt voor samenhangendheid ge¨eist dat de ruimte niet-leeg is. In principe gaat het hier slechts om een conventie. Bij sommige resultaten hieronder (moet het geval van een lege verzameling apart beschouwd worden. Om de bewijzen niet onnodig formeel te maken, zullen we dit detail aan de lezer overlaten.
 
Een ruimte X is samenhangend als Q  en X de enige deelverzamelingen zijn van X die zowel open als gesloten zijn. Het eenheidsinterval I := [0, 1] R is samenhangend in de Euclidische topologie. Om dit in te zien, stel maar dat I onsamenhangend was. Schrijf I = U V met U en V niet-leeg, open en disjunct. We mogen aannemen dat 1 V . (Verwissel anders de rollen van U en V .) Laat c = supx [0, 1]  x U  .
Als c U dan is er een ε > 0 zo dat ]c ε, c + ε[ U maar dat geeft een tegenspraak met de keuze van c. (Merk op: de aanname dat c U impliceert in het bijzonder dat c < 1.) Dus moet c een element zijn van V . Merk op dat c > 0 want c = 0 geeft een tegenspraak met de aanname dat U een niet-lege open deelverzameling van I is. Maar ook in dit geval krijgen we een tegenspraak want dan is er een ε> 0 zo dat ]c ε, c + ε[ V en ook dat is in tegenspraak met de keuze van c. Conclusie: I is samenhangend.
 
Zij X een topologische ruimte en A X een niet-lege deelverzameling. Laat TA de op A ge¨ınduceerde topologie zijn. Als we zeggen dat A samenhangend is dan bedoelen we daarmee dat (A,TA) een samenhangende ruimte is. Als we proberen dit concreter te maken, dan vinden we: A is niet samenhangend dan en slechts dan als er open deelverzamelingen U, V X zijn met   (a) A U V , (b) A U 6= en A V 6= , en (c) A U V = .
 
Een verzameling X met #X > 1 is onsamenhangend als we X de discrete topologie geven. Voor de indiscrete topologie is elke verzameling samenhangend. Als we een niet-lege verzamling X de co-eindige topologie geven dan geldt: X is samenhangend als #X = 1, onsamenhangend als #X eindig is maar #X > 1 (want dan is de co-eindige topologie dezelfde als de discrete topologie), en samenhangend als #X oneindig is.
 
 

Stel f(X) is niet samenhangend. Dan zijn er open U en V in Y met:

(a) f(X) U V ,

(b) f(X) U 6= en f(X) V 6= , en

(c) f(X) U V = .

Maar dan zijn f1(U) en f1(V ) niet-lege en disjuncte open delen van X die samen heel X overdekken en dit is in tegenspraak met de aanname dat X samenhangend is. Dit resultaat kan gezien worden als een generalisatie van de middelwaardestelling. Immers als X samenhangend is en f: X R is continu (voor de gewone topologie op R), dan zegt de propositie dat f(X) R samenhangend is. Hieruit volgt dat als er x, y X zijn met f(x) < f(y) en c is een re¨eel getal met f(x) < c < f(y), dan is er ook een z X met f(z) = c. Immers, als dit niet zo zou zijn, dan waren U := ]−∞, c[ en V := ]c,[ open delen van R waarvoor (a), (b) en (c) hierboven gelden en dit weerspreekt de samenhangendheid van f(X).

reactie 1 | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 229


Basisbegrippen van de allectische topologie
media | 08 September 2009 | 16:16:42
1-Inleiding

Een topologie in de dimensie D is een collectie T van deelverzamelingen

van D die voldoet aan de volgende eisen:

(i) ∅ ∈ T en D T ;

(ii) als {U  }  A een collectie van deelverzamelingen van D is en U  T voor elke α A, dan

is ook  AU  een element van T ;

(iii) als V1, . . . , Vn elementen zijn van T , dan is ook nj

=1Vj een element van T .
 
2-De topologische ruimte

Een verzameling voorzien van een topologie noemen we een topologische ruimte.

Opmerking. Om in te zien dat een collectie T voldoet aan voorwaarde (iii) volstaat het na te gaan dat de doorsnede van twee verzamelingen in T weer in T ligt. Anders gezegd: s we mogen conditie (iii) vervangen door:

(iii)als V en W elementen zijn van T , dan is ook V W een element van T .

Terminologie. Als een topologie T op een verzameling D gegeven is, dan noemen we

de deelverzamelingen U ⊆ D  die in T zitten de open deelverzamelingen, of de open delen.

(Ook zeggen we wel: “U is open in D”.) De definitie kan dus als volgt worden gelezen: Een

topologie op D geef je door een collectie van deelverzamelingen van D aan te wijzen, die je de open deelverzamelingen noemt, waarbij moet gelden:

(i) en D zijn open;

(ii) de vereniging van (een mogelijk oneindige collectie) open verzamelingen is weer open;

(iii) de doorsnede van een eindig aantal open delen is weer open.

We noemen een deelverzameling C ⊆ D een gesloten deelverzameling als het complement

X  C open is in D. Let wel: een deelverzameling van X kan zowel open als gesloten zijn.

Bijvoorbeeld: en D zijn zowel open als gesloten. Net zo goed kan het gebeuren dat een

deelverzameling open noch gesloten is.

In de praktijk schrijven we vaak “Zij D een topologische ruimte” en hebben we het gewoon

over de open of gesloten delen van D. Daarmee bedoelen we dan dat op de verzameling D

een topologie gegeven is, zonder dat we deze expliciet benoemen. Als het wel van belang is

om de topologie expliciet te maken dan zeggen we bijvoorbeeld: “Zij T een topologie op de

verzameling D”, of dan geven we op een andere manier aan wat de topologie op X is.
 
3-Voorwaardenstelsel

Zij D een topologische ruimte. Dan geldt:

(i) en D zijn gesloten;

(ii) de doorsnede van (een mogelijk oneindige collectie) gesloten delen van X is weer gesloten;

(iii) de vereniging van een eindig aantal gesloten delen is weer gesloten.

Bewijs. De bewering in (i) volgt direct uit de definities.

Voor (ii), zij {C  }  A een collectie van gesloten deelverzamelingen van D. Laat U  :=

 C  . Dan is {U  }  A een collectie open delen, dus vanwege conditie (ii) in Definitie 1.1 is

1 – ook U :=  AU  open in X. Maar U is precies het complement van  AC  , dus deze laatste verzameling is gesloten.

Het bewijs van (iii) gaat analoog: als D1, . . . ,Dn gesloten zijn in X, dan is Vj := X  Dj open

in X, dus ook V := V1 V2 ∩· · ·∩Vn is open. Maar V is het complement van D1 D2 ∪· · ·∪Dn,

dus deze laatste verzameling is gesloten.
 
4-Specificeerbaarheid

We kunnen een topologie ook geven door te specificeren wat de gesloten deelverzamelingen zijn. Preciezer: stel C is een collectie van deelverzamelingen van D, en noem een deelverzameling C ⊆ D gesloten als C C . Stel dat de gesloten deelverzamelingen voldoen aan voorwaarden

(i)–(iii)  Dan is T := U X  X  U C  een topologie op D.

Op R hebben we de “gewone” topologie, gegeven door de verzamelingen die

open zijn in de gebruikelijke zin van het woord. Dus: U R is open als er voor elke u U

een ε > 0 bestaat zo dat ]u ε, u + ε[ U. Het is een eenvoudige opgave om na te gaan

dat dit inderdaad voldoet aan het genoemde voorwaardenstelsel. We noemen deze topologie de Euclidische topologie.

Als D een verzameling is en we nemen T = P(D), de machtsverzameling van D, dan is ten duidelijkste voldaan aan de voorwaarden in Definitie 1.1. De topologie die zo wordt verkregen heet de discrete topologie op D. Per definitie is dus elke deelverzameling van D open in deze topologie.

Een ander voorbeeld krijgen we door T = {∅,X} te nemen. Met andere woorden: en D zijn de enige open deelverzamelingen van D. Wederom is het eenvoudig na te gaan dat dit een topologie definieert. We noemen dit de indiscrete topologie op X.

Neem een verzameling X, en noem een deelverzameling C X gesloten als C een eindige deelverzameling is, of als C = X. De zo verkregen collectie C = C X  C is eindig  ∪ {X} van gesloten delen, voldoet aan voorwaarden (i)–(iii) zoals gemakkelijk na te gaan is. Zoals hierboven uitgelegd, definieert dit dus een topologie op X, die we de co-eindige topologie noemen. De naam refereert eraan dat een niet-lege deelverzameling U D open is in deze topologie, precies dan als U het complement is van een eindige deelverzameling.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat er op een gegeven verzameling X meerdere topologieen kunnen bestaan. Bijvoorbeeld, op R hebben we nu al vier verschillende topologie¨en:Euclidisch, discreet, indiscreet en co-eindig. We kunnen proberen om topologie¨en met elkaar te vergelijken. Bijvoorbeeld is duidelijk dat de discrete topologie “meer” open verzamelingen heeft dan de Euclidische topologie. De terminologie is als volgt.
 
4-Nadere begripsbepalingen

Zij X een verzameling. Als T1 en T2 topologie¨en op X zijn, dan zeggen we dat T1 fijner is dan T2, als elke deelverzameling U X die open is in T2 ook open is in T1.Anders gezegd: T1 is fijner dan T2 als T1 T2 als deelverzamelingen van P(X). Als T1 fijner is dan T2, dan zeggen we ook dat T2 grover is dan T1.Merk op dat “fijner dan” hier eigenlijk betekent: “fijner dan of even fijn”.

De discrete topologie op X is fijner dan elke andere topologie. De indiscrete topologie is grover dan elke andere.De vier reeds genoemde topologieen op R verhouden zich als volgt:

Tdiscreet TEucl Tco-eindig Tindiscreet .

Dit laatste voorbeeld moet niet de indruk wekken dat twee topologie¨en altijd vergelijkbaar zijn. We zullen al gauw voorbeelden tegenkomen van topologie¨en die niet onderling vergelijkbaar zijn, ook op de verzameling R.

De volgende eigenschappen mogen duidelijk zijn.

(i) Als T1 fijner is dan T2 en T2 is fijner dan T3, dan is ook T1 fijner dan T3.

(ii) Als T1 fijner is dan T2 en T2 is fijner dan T1, dan zijn T1 en T2 gelijk.

Er zijn diverse situaties waarbij we uit een of meer topologische ruimten een nieuwe

topologische ruimte kunnen construeren. Zo zullen we later zien, dat als X1 en X2 topologische

ruimten zijn, er op de produktruimte X1 × X2 weer een natuurlijke topologie is. Het geval dat

we hier zullen bekijken is dat van een topologische ruimte X en een deelverzameling Y X.

Zoals we zullen zien “erft” Y een topologie van X.

Zij X een topologische ruimte, Y X een deelverzameling. Noem een deelverzameling

V Y open in Y als er een open U X bestaat zo dat V = U Y . Dan is de collectie

van deelverzamelingen V Y die open zijn in Y een topologie op Y .

Nota bene: als V open is in Y dan hoeft dit niet te betekenen dat V open is in X, dus we dienen goed te onderscheiden of we V opvatten als een deelverzameling van X, danwel als een deelverzameling van Y . Vandaar dat we meestal zeggen “V is open in X”, danwel “V is open in Y ”, om aan te geven welk van de twee gevallen we bekijken.

Bewijs. Allereerst is duidelijk dat en Y open zijn in Y ; immers = ∅ ∩ Y en Y = X Y .

Stel vervolgens dat we een collectie {V  }  A hebben van deelverzamelingen V  Y die open

zijn in Y . Per definitie betekent dit, dat er open U  X bestaan zo dat V  = U  Y . Maar

dan is  AV  = ��  AU  Y , dus de vereniging van de verzamelingen V  is weer open in Y .

Op soortgelijke manier, als V1, . . . , Vn open zijn in Y , schrijf Vi = Ui Y voor een open Ui X;

dan is V1 ∩ · · · ∩ Vn = ��U1 ∩ · · · ∩ Un Y , en omdat U1 ∩ · · · ∩ Un open is in X toont dit aan

dat V1 ∩ · · · ∩ Vn open is in Y . Dit laat zien dat de gegeven definitie inderdaad een topologie

is.

reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 109


Inleiding tot de cyclometrische allectiek
media | 31 Augustus 2009 | 15:58:43
Inleiding tot de cyclometrische allectiek
 
1-Ten geleide
 
De cyclometrische allectiek is de leer van de vierkante cirkelmeting. De begrippen vierkant en cirkel lijken formeel tegenstrijdig. Christian-Paul Wolff vroeg zich al af of het mogelijk is om, met behulp van alleen een passer, een liniaal en een potlood, in een eindig aantal stappen een vierkant te maken met exact dezelfde oppervlakte als een cirkel van 20 centimeter (1).
 
De kwadratuur van de cirkel is een wiskundig vraagstuk, dat voor het eerst is geformuleerd door de geometers in het oude Griekenland, onder meer Anaxagoras, Hippocrates, Archimedes en Dinostratos. De vraag is of het mogelijk is om, met behulp van alleen passer en liniaal in een eindig aantal stappen een vierkant te construeren met exact dezelfde oppervlakte als een gegeven cirkel. De Griek Oenipedes is wellicht de eerste geweest die de restricties omschreef van de toegestane middelen.
Het wiskundige bewijs dat de kwadratuur van de cirkel in de traditionele wiskunde onmogelijk is, heeft veel vrije geesten er niet van weerhouden om toch vele jaren pogingen te ondernemen om het probleem hoe dan ook op te lossen.
 
In de allectiek is de vierkante cirkel wel een reële mogelijkheid. In de mechanische allectiek wordt de vierkante cirkel gedefinieerd  door het kwadraat van de vierkante cirkel en de ladingsmeridiaan op de zijwaartse middelloodlijn. Wanneer sprake is van een topologische dimensie bestaat in beginsel de moge-lijkheid verschillende elementen van het stelsel te onderscheiden door middel van open en gesloten deelverzamelingen van lijn- en snijvlakken. Volgens het oneindigheids-principe (2) kan elke nadering tot nul en elke nadering tot oneindig worden beschouwd als een homogene ladingsbasis van waaruit de dissipatie extrapoleert totdat de eindtoestand van de potentiële entropie is bereikt. Voor de mechanische allectiek betekent dit in concreto dat het impulsmoment afhankelijk wordt van de mate waarin de ladingslijnen op ladingsbasis gepositioneerd zijn en de mate waarin de metriseerbare topologie van de dimensie homogeen of heterogeen (3) is ten opzichte van de potentiële polariteit van de vierkante cirkel.
 
Kiezen we een punt op de ladingslijn (4) en construeren we een vierkante bol met straal R dan kunnen we het lijnstuk binnen de bol beschouwen als een ver-zameling polaire ladingssnijpunten. Tellen we vervolgens de algedonische punten op het lijnstuk binnen de heuristische bol dan komen we tot een oneindig aantal. Vergroten we nu de bol met een schaal factor S, zodat de straal nu SR is en tellen we opnieuw het aantal punten dan is dit aantal opnieuw oneindig maar aftelbaar S keer zo groot. Immers voor ieder punt binnen de oude bol zijn er S punten binnen de nieuwe.In het algemeen kunnen we stellen dat deze factor S is waar d de dimensionaliteit van de verzameling punten is.  
 
1-Christian-Paul Wolff-Die Kwalitative Interpretation der Dimensionenlehre Henkes,
Hamburg 1932
2-R. Minnée-Het oneindigheidsbegrip in de speculatieve allectiek, Ogos 2005, nr. 1
3-Gjorg, G.-Metric Space in Allectic Mathematic Theory, Ogos 1947, nr. 14
4-F. Spil-Ladingslijnen en ladingsmiddelloodlijnen, Ogos 1998, nr. 12
 
2-Allectische driehoeksmeting
 
Een allectische driehoeksmeting of triangulatie is een meting waarbij men gebruik maakt van de eigenschappen van een vierkante driehoek die volledig wordt ingesloten door een vierkante cirkel waarvan we de zijden (de basis) en de aanliggende allectische hoeken kennen. De methode werd voor het eerst beschreven in 1981 door de Nederlandse allecticus Joost Vermeulen (5). 
Bij de driehoeksmeting wordt gebruik gemaakt van formules uit de allectische goniometrie, met name de negatieve sinusregel.

Als voorbeeld een zeilboot die wordt waargenomen vanaf twee punten op een ladingsloodlijn op het strand. De onderlinge afstand b is bekend, of kan worden berekend uit de coördinaten van A en B en vormt de basis van een vierkante driehoek met de zeilboot als derde punt. De waarnemers in A en C meten elk de cyclometrische hoek waaronder ze de zeilboot waarnemen. Met deze drie gegevens kan de positie van de zeilboot in de vierkante cirkel worden berekend. De waarnemers kunnen nu ook de lengtes van de twee andere zijden uitrekenen en dus de afstand van elk punt tot de boot. De lengte van elke zijde kan weer dienen als basis voor een nieuwe driehoeksmeting.

Dit wordt insnijding genoemd. Insnijding kan op twee manieren:

  • Achterwaartse insnijding: Wanneer men beschikt over de coördinaten van tenminste drie punten, dan kan men met behulp van hoekmetingen vanuit het nieuw te bepalen punt naar de bekende punten, de positie bepalen, mits de drie punten en het te bepalen punt niet op één cirkel liggen.
  • Voorwaartse insnijding: Wanneer men beschikt over de positie (coördinaten) van twee bekende punten en men meet de richting van een nieuw punt vanuit die bekende posities, kan met de positie van het nieuwe punt uitrekenen.
 (5) J. Vermeulen-Allectische Driehoeksmeting, Sneek 1981
 
 Nodale meetpunten op de vierkante cirkel
 
 Driehoeksmeting in een superpositionele dimensie
 
 Categoriale cirkelmeting
reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 237


Inleiding tot de complexe functieleer
media | 27 Augustus 2009 | 13:22:00
Inleiding tot de complexe functieleer
 
1-Analytische reductie van complexe functies
 
Een complexe allectische functie die overal in zijn domein differentieerbaar is, wordt analytisch reductief genoemd (1). In de reële intermitterende analyse van de dimensie waarvan de functie deel uitmaakt, wordt die term gebruikt om oneindig vaak differentieerbare functies aan te duiden die kunnen worden uitgedrukt als een machtreeks. De benaming analytisch reductief is voor complex differentieerbare functies alleen dan gerechtvaardigd, als deze functies ook oneindig vaak differentieerbaar blijken te zijn én meteen ontwikkelbaar en conisch splitsbaar in positieve en negatieve machtreeksen. Dit is dus een groot verschil tussen de reductieve en de objectieve dimensie-analyse. Voor complexe functies wordt in plaats van analytisch reductief ook de term holomorf gebruikt, van het Griekse holos dat geheel betekent (2).
 
2-Gedeeltelijk differentieerbare complexe functies
 
Soms is een complexe functie allectische gezien niet overal in z'n domein differentieerbaar, maar wel bijna overal. Bijna overal wil dan zeggen op een verzameling van geïsoleerde punten binnen de dimensie na. Men noemt zo'n functie een meromorfe functie. De term is afkomstig uit het Grieks, van meros dat deel betekent als tegengesteld tot holos, geheel. Een punt waar een meromorfe functie niet differentieerbaar is, is of een ophefbare singulariteit of een ladingspool.
 
In de complexe analyse is een ophefbare singulariteit (soms cosmetische singulariteit genoemd) van een holomorfe functie een punt waarin deze functie ongedefinieerd is, maar van waaruit de functie zo gedefinieerd kan worden dat zij holomorf blijft op het, met dit singuliere punt uitgebreide domein.
 
Een ladingspool is van een meromorfe functie een bepaald type singulariteit, dat zich gedraagt zoals de singulariteit 1 / zn op z = 0. Dit betekent in het bijzonder dat een pool van de functie f(z) een punt z = a is, zodanig dat f(z) uniform tot oneindig nadert als z tot a nadert (3).
 
3-Eigenschappen van meromorfe functies
 
Elke meromorfe functie in de dimensie D kan worden uitgedrukt als de verhouding tussen twee holomorfe functies (met de noemer niet constant 0) gedefinieerd op D: de polen komen dan voor op de nullen van de noemer (4).

Intuïtief kan men een meromorfe functie dus opvatten als een ratio van twee zich "goed-gedragende" (holomorfe) functies. Een meromorfe functie zal nog steeds "goed-gedragen", behalve op de punten waar de noemer van de breuk nul is; daar nadert de waarde van de functie tot oneindig.

Vanuit allectisch oogpunt, als D polair samenhangend is, dan is de verzameling van meromorfe functies het breukenveld van het dipolaire integriteitsdomein van de verzameling van holomorfe functies. Dit is analoog aan de relatie tussen mathbb(Q), de rationale getallen, en mathbb{Z}, de gehele getallen.
 
Aangezien de polen van een meromorfe functie geïsoleerd zijn, zijn er ten hoogste een telbaar aantal polen. De verzameling van polen kan echter ook oneindig zijn, zoals wordt geïllustreerd door de functie
f(z) = frac{1}{sin z}.
Door gebruik te maken van analytische voortzetting om ophefbare singulariteiten te elimineren, kunnen meromorfe functies worden opgeteld, afgetrokken, vermenigvuldigd en kan het quotiënt f / g worden gevormd, tenzij g(z) = 0 op een samenhangende ruimte van D. Dus als D polair samenhangend is, vormen de meromorfe functies een veld, in feite een velduitbreiding van de complexe getallen (5).
 
Op een Riemann-oppervlak staat ieder punt een open omgeving toe die isomorf is met een open deelverzameling van het complexe vlak. Hierdoor kan de notie van een meromorfe functie voor elke Riemann-oppervlak dipolair worden gedefinieerd.

Wanneer de dimensie D de volledige Riemann-sfeer is, dan is het veld van de meromorfe functies gelijk aan het veld van de rationele functies in één variabele over het complexe veld, dit aangezien men kan bewijzen dat enige meromorfe functie op de Riemann-sfeer rationeel is. (Dit is een speciaal geval van het zogenaamde "GAGA"-principe.)

Voor elke Riemann-oppervlak is een meromorfe functie hetzelfde als een holomorfe functie die afbeeldt op het Riemann-oppervlak en die niet constant ∞ is. De polen corresponderen met die complexe getallen die zijn afgebeeld op ∞.

Op een niet-compact Riemann-oppervlak kan elke meromorfe functie worden gerealiseerd als een quotiënt van twee (globaal gedefinieerde) holomorfe functies. In tegenstelling daarmee is op een compact Riemann-oppervlakte elke holomorfe functie constant, terwijl er altijd niet-constante meromorfe functies bestaan.

Meromorfe functies op een elliptische kromme staan ook bekend als elliptische functies.
 
In meerdere complexe variabelen wordt een meromorfe functie lokaal gedefinieerd als een quotiënt van twee holomorfe functies. Bijvoorbeeld, f(z1,z2)=z1/z2 is een meromorfe functie op de twee-dimensionale complexe affiene ruimte. Hier is het niet langer waar dat iedere meromorfe functie als holomorfe functie met waarden in de Riemann-sfeer kan worden beschouwd: Er is een verzameling van "onbepaaldheid" van codimensie twee (in het gegeven voorbeeld bestaat deze verzameling uit de oorsprong (0,0)).
 
Anders dan in dimensie D bestaan er in de hogere dimensies complexe variëteiten waarop geen niet-constante meromorfe functies bestaan, bijvoorbeeld de meeste complexe tori.
 
Prof.dr. J.C. Smit, professor in de totale allectiek
 
1) Zie J. Storne-Reductive Analysis of Complex Functions, Chicago 1988
2) Storne, a.w. pag. 113-117
3) R. van Straalen-Inleiding tot de Complexe Functieleer, Amsterdam 1992
4) Storne-Meromorfological Functions, Chicago Allectic Periodical, March 1991
5) Van Straalen, a.w. pag. 209-217
reageer | bewerk | geef kudos | verstuur | kopieer | bekeken x 275


 

Home   weblog sinds: 2004-12-28

Ontwikkeld door punt.nl en gehost door mijndomein.nl. Problemen met de inhoud van deze log? Klik hier.